Een 'laagvolumeziekenhuis' is volgens het KCE een centrum dat hoogstens 20 gevallen van deze tumoren per jaar behandeld - een 'hoogvolumeziekenhuis' behandeld er meer.

Betere overleving

Het Kenniscentrum analyseerde de gegevens van 9.245 patiënten die van 2009 tot 2014 behandeld werden in Belgische ziekenhuizen voor een plaveiselcelcarcinoom van mond, orofarynx, hypofarynx en larynx (kortweg 'hoofd- en halstumoren').

De behandeling was gespreid over 99 ziekenhuizen. Maar 23 ziekenhuizen konden (mogelijk) tot de hoogvolumeziekenhuizen worden gerekend. Deze behandelden samen 7.040 patiënten.

In hoogvolumeziekenhuizen bedroeg de overleving na één jaar 79% en na vijf jaar 50%. In laagvolumeziekenhuizen lagen die percentages opmerkelijk lager: 70% en 46% respectievelijk. De mediane overleving in hoogvolumeziekenhuizen bedroeg 5,1 jaar - en 4 jaar precies in laagvolumeziekenhuizen.

Wat de eenjaarsoverleving betreft scoort België niet slechter dan onze buurlanden maar voor de vijfjaarsoverleving bij deze patiënten zit ons land onder het Centraal-Europees gemiddelde.

Benchmark

Bij de analyse van de kwaliteitsindicatoren bleek onder meer voor de diagnose dat:

  • niet meer dan 48% van de patiënten met een gevorderde ziekte (stadium III-IV) vóór de behandeling een PET/CT-scan kreeg van het volledige lichaam, dat is ver onder het streefpercentage van 90%; maar 23% van de patiënten in een vroeg stadium van de aandoening (stadium I-II) kreeg dit onderzoek wel, terwijl dat bij hen niet is aanbevolen;
  • er een grote variatie was tussen de ziekenhuizen van de wachttijd tussen diagnose en (eerste)behandeling: mediaan 32 dagen.

Ook bij de behandeling werd vaak van de klinische richtlijnen afgeweken. Voorbeelden:

  • postoperatieve therapie wordt maar bij 34% van de patiënten op tijd opgestart - en bij slechts 48,5% van de patiënten binnen de 13 weken na de operatie beëindigd, zoals vooropgesteld;
  • maar 58% van de patiënten jonger dan 70 jaar met een lokaal gevorderde, niet-uitgezaaide hoofd- en halstumor kreeg gelijktijdig radiotherapie en platinum-gebaseerde chemotherapie, wat ver onder de doelstelling van 75-80% ligt:
  • positive node-patiënten moeten binnen de 10-16 weken na de primaire therapie een diagnostische evaluatie ondergaan met PET/CT of DW-MR, wat maar bij 33% van de patiënten gebeurt;
  • maar 56% van de patiënten met een cN0M0/x-tumor (geen lokale uitzaaiing of metastasen op afstand) ondergaan na een chirurgische ingreep een electieve dissectie van de halslymfklieren, terwijl de doelstelling minstens 90% is.

Het KCE stelde samen met het College voor Oncologie richtlijnen op voor de behandeling van deze tumoren (KCE-rapporten 227 en 256). De toetsing van de zorg in de ziekenhuizen aan de hand van 13 geselecteerde kwaliteitsindicatoren in dit rapport levert voor de verschillende ziekenhuizen een benchmark op. De Stichting Kankerregister bezorgt tegelijk ieder ziekenhuis afzonderlijke feedback.

Supraregionaal

Omdat volgens de resultaten van het rapport het overlijdensrisico voor de patiënt, rekening houdend met diverse karakteristieken, met 0,4% daalt per bijkomende patiënt die in het centrum jaarlijks wordt behandeld - dit tot de drempel van 20 patiënten per jaar is overschreden - pleit het KCE voor 'centralisatie'.

Volgens het Kenniscentrum moet het Riziv overeenkomsten afsluiten met supraregionale referentiecentra naar analogie van wat er gebeurd is voor slokdarm- en pancreaskanker. Deze centra moeten niet alleen een voldoende hoog volume kunnen (blijven) aantonen, maar moeten ook beschikken over multidisciplinaire teams met voldoende expertise.

De supraregionale samenwerkingsverbanden, en de samenwerking met de eerste lijn, moeten een vlotte coördinatie en doorstroming verzekeren, wat bijvoorbeeld vertraging bij het opstarten van de behandeling moet vermijden.

Registratie

Een vijfde van de ziekenhuizen rapporteert niet het stadium van een plaveiselcelcarcinoom in de regio van het hoofd en de hals aan het Kankerregister, wat nochtans verplicht is. Dat is zo voor 19% van alle gediagnosticeerde patiënten en voor 22% van de behandelde patiënten. Vooral laagvolumeziekenhuizen komen deze verplichting niet na. Bij 31% ontbrak de klinische TNM-informatie en bij 27% de pathologische.

Het KCE stelt voor om dit te verhelpen door de terugbetaling van het MOC voor alle types hoofd- en halskanker afhankelijk te maken van de registratie (en door ook de financiering van een datamanager hieraan te koppelen).

Het KCE pleit er daarnaast voor om meer 'parameters' te registreren: P16/HPV-status, type chirurgische ingreep, radiotherapieschema, comorbiditeit en tabak- en alcoholconsumptie, patient reported outcome measures).